Het in 2025 aangenomen wetsvoorstel tot versterking van het auteurscontractenrecht is per 1 januari 2026 via wijzigingen van de Auteurswet en van de Wet naburige rechten ingevoerd: een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.
Collectieve afspraken over een billijke vergoeding mogelijk
Nu de mededingingsregels zich daartegen niet meer verzetten is nu wettelijk verankerd dat een vereniging van makers en een exploitant of een vereniging van exploitanten bij collectieve overeenkomst nader invulling mogen geven aan alle rechten en verplichtingen uit het auteurscontractenrecht. Een collectief onderhandelde vergoeding wordt nu zelfs vermoed billijk te zijn. Dit betekent dat een rechter in beginsel uit zal gaan van de billijkheid van een collectief onderhandelde vergoeding wat voor exploitanten een belangrijke stimulans zal zijn aan de onderhandelingstafel te verschijnen. Het vermoeden is vatbaar voor tegenbewijs. De oude regeling inzake de vaststelling van de billijke vergoeding door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waarvan nooit gebruik is gemaakt, is daarmee onnodig en is geschrapt. Artikel 45d, eerste lid, van de Auteurswet regelt dat filmmakers geacht worden aan de filmproducent bepaalde exploitatierechten te hebben overgedragen, tenzij zij schriftelijk anders zijn overgekomen. De filmproducent is daarvoor een billijke vergoeding verschuldigd die schriftelijk overeengekomen moet worden. Het vermoeden van artikel 25c, eerste lid, van de Auteurswet dat een door collectieve onderhandelingen tot stand gekomen vergoeding billijk is, wordt daarop in artikel 45d, tweede lid, van de Auteurswet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Waar het de overdracht betreft van het recht een filmwerk beschikbaar te stellen voor het publiek (video on demand), wordt de vergoeding vermoed billijk te zijn wanneer de vergoeding niet alleen door collectieve onderhandelingen tot stand is gekomen maar in aanvulling daarop ook passend is en in verhouding staat tot het gebruik dat van het beschikbaarstellingsrecht wordt gemaakt door de producent of de derde aan wie de producent het recht heeft overgedragen of gelicentieerd. Bij video on demand kan een exploitant zich derhalve pas beroepen op enig vermoeden van billijkheid, indien collectief overeenstemming is bereikt over een proportionele billijke vergoeding. De billijkheid van de vergoeding mag daar pas worden verondersteld, wanneer de collectief overeengekomen vergoeding behalve passend ook proportioneel is, dat wil zeggen in verhouding staat tot het daadwerkelijke gebruik dat van het beschikbaarstellingsrecht wordt gemaakt. Hoe vaker het filmwerk is bekeken, hoe hoger de vergoeding. Het in 2025 gesloten akkoord over de billijke vergoeding voor video on demand betekende de doorbraak voor deze wetswijziging. De wet bevat als stok achter de deur een grondslag om de exploitatie via video on demand via een algemene maatregel van bestuur alsnog aan verplicht collectief beheer te kunnen onderwerpen als de vrijwillig gemaakte afspraken niet blijken te werken.
Collectieve aanspraken voor alle makers en uitvoerende kunstenaars
De vergoedingsaanspraken die op grond van de wet verplicht collectief moeten worden uitgeoefend, voor de doorgifte, zijn van artikel 45d overgeheveld naar een nieuw artikel 45da van de Auteurswet. Die vergoedingsaanspraken zijn inhoudelijk ongewijzigd gebleven, op één uitzondering na: het aantal vergoedingsgerechtigden wordt voor alle exploitaties die onder verplicht collectief beheer vallen, uitgebreid tot alle makers en alle uitvoerend kunstenaars. (Voorheen alleen de hoofdregisseur, de scenarioschrijver en de acteurs die een hoofdrol vervullen.)
Voor exclusieve licenties schriftelijk bewijs voldoende
Volgens de oude wet was zowel voor de overdracht van rechten als voor de exclusieve licentie een akte nodig. Voor exclusieve licenties sloot dat niet aan op de contractspraktijk. Voor de exclusieve licentieverlening is nu het aktevereiste vervallen en is het voldoende dat deze schriftelijk wordt aangegaan. Dat betekent dat er geen twijfel meer is over de geldigheid als bijvoorbeeld gebruik is gemaakt van een elektronische handtekening of als de bedoeling van partijen blijkt uit een e-mailwisseling. Een louter mondelinge overeenkomst strekkende tot overdracht of verlening van een exclusieve licentie blijft zonder rechtsgevolg en kan hooguit een niet exclusieve licentie inhouden.
Bij geen of onvoldoende exploitatie opzegging voldoende
De ontbindingsbevoegdheid van de non usus regeling is vervangen door een opzeggingsbevoegdheid. Bij de in de oude wet geïntroduceerde ontbindingsmogelijkheid. Voor een rechtsgeldige ontbinding moet eerst wanprestatie van de exploitant worden aangetoond en zijn er in beginsel ongedaanmakingsverplichtingen om reeds verrichte prestaties ongedaan te maken. In de huidige wet heeft de maker de wettelijke bevoegdheid om in geval van non usus de overeenkomst op te zeggen, waardoor wanprestatie van de exploitant daarvoor niet meer behoeft te worden aangetoond en er niet wordt toegekomen aan de vraag of de exploitant in verzuim is.
Aansluiting bij de geschillencommissie auteurscontractenrechtDe wettelijke mogelijkheid voor de maker om laagdrempelig geschillen over exploitatiecontracten aan deze geschillencommissie voor te leggen werkte in de praktijk niet omdat weinig exploitanten bij deze commissie waren aangesloten.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen exploitanten die met publieke middelen worden gefinancierd, worden verplicht om zich aan te sluiten bij de geschillencommissie auteurscontractenrecht. Dit zal echter niet nodig zijn. Inmiddels hebben bijna alle brancheorganisaties en de publieke en commerciële omroepen hun achterban collectief aangesloten bij de door OCW en VOI©E-leden gefinancierde geschillencommissie auteurscontractenrecht. Zie hier de status van de collectieve aansluitingen.Ook heeft de Federatie Auteursrechtbelangen, die gaat over het reglement van de geschillencommissie, het mogelijk gemaakt dat ook organisaties die de betreffende belangen van makers en uitvoerende kunstenaars behartigen namens hun achterban geschillen kan aandragen en hun daarin kunnen vertegenwoordigen. Flankerend beleid: Auteursrechttafels
De Federatie Auteursrechtbelangen heeft op zich genomen met betrokken partijen van makers, uitvoerende kunstenaars, uitgevers en producenten te onderzoeken aan zogenoemde “Auteursrechttafels” of ook op andere terreinen collectieve afspraken kunnen worden gemaakt ter verduidelijking of nadere invulling van het auteurscontractenrecht.
Eenvoudiger beroep op morele rechten voor nabestaanden
Bij Nota van wijziging is nog een wijziging doorgevoerd in artikel 25 van de Auteurswet (en in artikel 5 Wet naburige rechten) inzake de uitoefening van morele rechten om de positie te versterken van nabestaanden van overleden makers en uitvoerend kunstenaars om op te treden tegen verminking van het werk van een overleden maker of uitvoerend kunstenaar. Op grond van auteursrechtelijke en nabuurrechtelijke persoonlijkheidsrechten kunnen makers en uitvoerend kunstenaars, ook als de exploitatierechten zijn overgedragen aan een derde, zich in beginsel verzetten tegen openbaarmaking zonder naamsvermelding of onder een andere naam dan wel elke andere wijziging tenzij dat verzet onredelijk is. Daarnaast kan op grond van de persoonlijkheidsrechten de maker of uitvoerend kunstenaar zich verzetten tegen een verminking van het werk. Na overlijden van de maker of uitvoerend kunstenaar komen de rechten toe aan degene aan wie de rechten bij uiterste wilsbeschikking zijn overgedragen. Als de maker of uitvoerend kunstenaar heeft nagelaten om deze wilsbeschikking op te stellen dan vervielen deze persoonlijkheidsrechten bij overlijden. Met de opkomst van hologrammen en deepfakes worden de mogelijkheden om werken van overleden makers en uitvoerend kunstenaars aan te passen aanzienlijk uitgebreid.
Ook het risico dat het werk wordt aangetast op een wijze die nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of uitvoerend kunstenaar is toegenomen. Om hiertegen beter op te kunnen treden is het nu voor nabestaanden van makers en uitvoerend kunstenaars eenvoudiger om zich te kunnen beroepen op de persoonlijkheidsrechten. Wanneer eer niemand bij uiterste wilsbeschikking is aangewezen om de morele rechten uit te oefenen, komen deze rechten bij wet toe aan de nabestaanden. De kring van personen die zich op het recht kunnen beroepen is in artikel 25a, eerste lid beperkt tot de ouders, echtgenoot of geregistreerd partner en kinderen van de maker of uitvoerend kunstenaar.
Ook voor uitvoerende kunstenaars
De bepalingen in het auteurscontractenrecht en alle overige genoemde aanpassingen zijn ook van toepassing op exploitatiecontracten met uitvoerende kunstenaars door de Wet naburige rechten dienovereenkomstig aan te passen of via een schakelbepaling in de Auteurswet naar te verwijzen.