Bij Memorie van Antwoord heeft minister Van der Steur de vragen van de Eerste Kamer fracties van VVD en CDA beantwoord over de implementatiewet van de richtlijn collectief beheer. Het schrappen van het eerder voorgenomen beleggingsverbod wordt uitgelegd. Tevens gaat de minister in op de beleidskeuze om overige ‘koppen’ op de richtlijn in de huidige wet Toezicht bij de latere evaluatie van deze wet te bespreken.

Optie beleggingsverbod geschrapt
In de Wet Toezicht is destijds op verzoek van de Eerste Kamer een bepaling aangehouden die het beleggen van gelden door CBO’s vergaand zou beperken.
De inwerkingtreding was in 2013 aangehouden, totdat er meer duidelijkheid was verkregen over de richtlijnonderhandelingen met betrekking tot collectief beheer over dit punt. Het besluit tot aanhouding volgde op een groot aantal bezwaren van rechthebbenden en Platform Makers, omdat een prudent beleggingsbeleid de makers door de jaren heen geen windeieren heeft gelegd en het beleggingsbeleid dan ook aan de rechthebbenden kan en moet worden overgelaten. 
In de richtlijn collectief beheer is een bepaling opgenomen die hier ook vanuit gaat.
Artikel 11, vijfde lid van de richtlijn laat beleggingen van rechteninkomsten of gelden uit beleggingsopbrengsten door collectieve beheersorganisaties toe, wanneer zij dat doen in overeenstemming met het door rechthebbenden goedgekeurde beleggingsbeleid. Daarnaast moet de collectieve beheersorganisatie waarborgen dat de beleggingen uitsluitend in het belang van belanghebbenden worden uitgevoerd (a), dat er oog is voor de kwaliteit, liquiditeit en winstgevendheid van de portefeuille (b) en dat beleggingen deugdelijk gediversifieerd worden om accumulatie van risico’s te vermijden (c). 
Nederland heeft deze bepaling overgenomen in de implementatiewet.
Naar het oordeel van de minister worden de risico’s die gepaard gaan met beleggingen daarmee zoveel mogelijk gemitigeerd. Het spreekt de minister ook aan dat de verantwoordelijkheid voor het beleggingsbeleid daarmee primair bij rechthebbenden komt te liggen. Daarbij verwijst de minister ook naar Platform Makers. Volgens Platform Makers kan verstandig beheer van gelden een substantiële vermeerdering van de inkomsten of verlaging van de kosten van rechthebbenden opleveren, wanneer de rechthebbenden hiervoor kiezen. 
Nu de richtlijn een specifieke bepaling over beleggen bevat, is er voor gekozen om de aangehouden bepaling te ‘vervangen’ door de bepaling uit de richtlijn.

Bovendien ook nu al gereguleerd en prudent
De minister beschouwt de invoering van deze norm een verbetering ten opzichte van de huidige situatie, waarin beleggingsactiviteiten door CBO’s in het geheel niet zijn gereguleerd. Dat is echter niet juist, dit is wel degelijk gereguleerd via zelfregulering in het CBO-Keurmerk, terwijl bovendien het College van Toezicht het toezicht op het beleggingsbeleid altijd tot zijn taak heeft gerekend.
Om voor het CBO-Keurmerk in aanmerking te komen is een CBO die gelden belegt verplicht inspraak te regelen in het beleggingsbeleid van de aangesloten rechthebbenden, moet er een beleggingsstatuut zijn om een prudent beleggingsbeleid te waarborgen en moeten in het jaarverslag soort en resultaten van beleggingen zijn opgenomen.
In het recent aan de Kamer aangeboden verslag van het College over 2015 wordt gerapporteerd dat het College de ontwikkelingen bij beleggingen van CBO’s al jaren kritisch volgt. In 2015 belegden alleen Buma en Lira. “Naar het oordeel van het college vindt het tijdelijk onderbrengen van gelden ten einde hiermee voordeel te behalen door CBO’s op prudente wijze plaats.”

En de andere koppen op de richtlijn dan?
De VVD en CDA fracties hadden zich in dit verband afgevraagd waarom dan niet gelijk andere bepalingen in de huidige Wet Toezicht die een aanvulling zijn op de richtlijn zijn meegenomen in dit wetsvoorstel.
De minister wijst er in dit verband op dat de Nederlandse inzet tijdens de onderhandelingen is geweest dat de richtlijn de nodige flexibiliteit moet bieden om op nationaal niveau aanvullende regelingen te behouden, dan wel te treffen. Deze inzet is geslaagd, waardoor de bestaande aanvullende Nederlandse regelgeving in beginsel kan worden gehandhaafd. 
Bovendien is vast beleid dat bij implementatie geen ander voorstel in de implementatieregeling wordt opgenomen dan strikt noodzakelijk is voor implementatie. 
Het afschaffen van het ex ante toezicht door het College van Toezicht Auteurs- en naburige rechten, de mogelijkheid om collectieve beheersorganisaties op bepaalde onderdelen tot samenwerking te verplichten, en de toepasselijkheid van de Wet normering topinkomens (WNT) vereisen een bredere herziening van de regelgeving dan een strikte implementatie van de richtlijn. De minister heeft eerder toegezegd dat bij de aanstaande evaluatie van de Wet Toezicht zal worden bezien in hoeverre de concurrentiepositie van Nederlandse collectieve beheersorganisaties heeft te lijden doordat bepalingen die verder gaan dan de richtlijn, zijn gehandhaafd in de Wet Toezicht. Naar aanleiding van die evaluatie kan een heroverweging plaatsvinden.

De verwachting is dat het evaluatieonderzoek en het Kabinetsstandpunt daarover voor het einde van het jaar aan de Kamer kan worden aangeboden.

Zie hier de volledige tekst van de Memorie van Antwoord.

28-10-16