Derde nota van wijziging wetsvoorstel toezicht op gespannen voet met privaatrecht

In de derde nota van wijziging bij het wetsvoorstel toezicht vinden twee aanpassingen plaats die weer vragen oproepen over de grenzen van publiekrechtelijk toezicht op privaatrechtelijke organisaties: normering topinkomens van bestuurders en directeuren conform de aankomende wet topinkomens publieke en semipublieke sector en een aanscherping van de drastische vermindering van de mogelijkheden voor cbos om te beleggen in risicodragend kapitaal.

Bij tweede nota van wijziging (alweer van november 2009) was het wetsvoorstel al voorzien van een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels te kunnen geven voor de bezoldiging van bestuurders, maar werd de sector tot eind 2012 de tijd geboden om daarvoor een normering tot stand te brengen. Dan zou worden bezien of nader ingrijpen bij AMvB nodig zou zijn.  Hiermee hanteerde Justitie in feite al een instrument van het wetsvoorstel topinkomens publieke en semipublieke sector. In dat wetsvoorstel is namelijk voorzien in flexibiliteit voor dat deel van de semipublieke sector dat wat verder van de publieke sector af staat, waar ook rekening moet worden gehouden met de hoogte van de bezoldiging in relevante andere sectoren van de arbeidsmarkt. Daarbij is ook een adviserende rol voor de branche weggelegd. Helemaal los van de maatschappelijke discussie over topinkomens, kan op zijn minst de vraag gesteld worden waarom in die flexibiliteit nu niet meer is voorzien voor cbos die in het geheel niet semi-publiek zijn en die in sommige gevallen eens te meer rekening moeten houden met dergelijke omgevingsfactoren?

Door toevoeging van de woorden direct of indirect wordt in de derde nota van wijziging verder verduidelijkt dat de drastische vermindering van de mogelijkheden voor cbos om te beleggen in risicodragend kapitaal niet alleen geldt voor collectieve beheersorganisaties die zelf beleggen, maar ook voor cbos die hun gelden door derden laten beheren of hun beleggingen in een aparte rechtspersoon onderbrengen. Het is logisch om mogelijke constructies uit te sluiten als de overheid wenst dat cbos niet beleggen, maar de vraag blijft of de overheid zich op deze beperkende wijze met het goed beheer van gelden van rechthebbenden moet bemoeien. VOI©E en Platform Makers vinden in ieder geval van niet. Ten principale dienen CBOs als privaatrechtelijke organisaties de vrijheid te hebben in het beheer van hun gelden, zolang dit prudent, transparant en met inspraak van de rechthebbenden gebeurt, zoals gewaarborgd in het CBO-Keurmerk. Rechthebbenden worden door deze maatregel benadeeld. Zo blijkt uit onderzoek van Buma/Stemra dat over de afgelopen twaalf jaar gemeten de beleggingsfondsen van Buma/Stemra een 42,4% beter geaccumuleerd resultaat is bereikt dan mogelijk zou zijn geweest als de nu voorgestelde beperking toen al van kracht zou zijn geweest. Als gevolg daarvan kon aan de leden en aangeslotenen van Buma/Stemra 41,6 miljoen euro meer worden uitbetaald!

Bij derde nota van wijziging zijn ook drie verbeteringen aangebracht.
Met betrekking tot de bekostiging van de geschillencommissie wordt aangegeven dat sprake moet zijn van een evenwichtige verdeling van de kosten tussen partijen, waar het aanvankelijk de bedoeling leek dat de cbos voor deze kosten moesten opdraaien.
Ook wordt in de beroepstermijn van de geschillencommissie rekening gehouden met de in het CBO-Keurmerk opgenomen klachtenprocedure die eerst de cbos in de gelegenheid stellen binnen twee maanden een klacht op te lossen.
Een belangrijke opmerking voor de praktijk is in de toelichting opgenomen: Ik maak van de gelegenheid gebruik om het volgende op te merken over de toetsing door de geschillencommissie van een concreet in rekening gebracht tarief dat gebaseerd is op collectieve afspraken. Het gezamenlijke onderhandelen door VNO-NCW, MKB
Nederland en VOI©E is een initiatief in het kader van de Werkgroep Verbetering Incasso Auteursrechten (werkgroep Pastors). Als een betalingsplichtige een rekening heeft ontvangen op basis van een tarief dat in gezamenlijke onderhandelingen tot stand is gekomen, kan de betalingsplichtige het gefactureerde tarief aan de geschillencommissie voorleggen. Het ligt dan voor de hand dat de commissie, bij de beoordeling van de billijkheid ervan, aansluiting zal zoeken bij het in overleg tot stand gekomen tarief. Dit sluit aan bij het uitgangspunt in het auteursrechtbeleid dat afspraken over auteursrechtelijk relevant gebruik zoveel mogelijk tot stand komen via zelfregulering. Met de collectiviteit van de afspraak over de hoogte van het tarief is de billijkheid immers in beginsel gegeven.

27-01-12

X

Meld u aan voor onze nieuwsbrief.

Hartelijk dank voor uw aanmelding.

U heeft niet alle velden ingevuld.

U heeft een ongeldig e-mailadres ingevoerd.