Misverstand 2: 'Het auteursrecht dijt maar uit en iedere keer moet je weer betalen'
Het auteursrecht in Nederland dateert van 1912; toen (pas) ging Nederland meedoen aan het internationale auteursrecht-verdrag de Berner Conventie uit 1886. Het uitgangspunt van het auteursrecht is dat de maker van een werk van letterkunde, kunst of wetenschap de zeggenschap heeft over iedere vorm van reproductie en beschikbaarstelling aan het publiek, behoudens enkele wettelijke beperkingen. Die beperkingen zijn er om te zorgen dat andere grondrechten niet onnodig in de knel komen, zoals het recht op toegang tot informatie voor eigen gebruik of voor onderwijs en wetenschap. Hetzelfde geldt voor het aan het auteursrecht verwant naburig recht voor uitvoerend kunstenaars, producenten en omroepen. De Wet op de naburige rechten is van 1993, toen Nederland zich eindelijk had aangesloten bij de internationale verdragen van Rome (1961) en Genčve (1971).
De internationale uitgangspunten van het auteursrecht en de naburige rechten zijn al meer dan 100, respectievelijk 50 jaar ongewijzigd gebleven; de wet- en regelgeving is sindsdien wel gemoderniseerd om in te spelen op nieuwe technieken voor reproductie en publicatie: radio, televisie, het fotokopieer-apparaat, digitalisering en internet. Daardoor hoeft nu ook niet voor ieder gebruik te worden betaald.
Het auteursrecht dijt dus niet uit; er zijn zoveel meer producten en verschijningsvormen bijgekomen: het is dus het gebruik dat verandert en uitdijt. Maar het is en blijft terecht dat de makers, uitvoerenden, uitgevers en producenten, ook bij nieuwe technieken, een redelijke vergoeding krijgen voor het gebruik van hun werk.